EN ISO 20471 deelt signalisatiekleding in op één meetbare eigenschap: hoeveel vierkante meter fluorescerend en reflecterend materiaal een kledingstuk heeft. Hoe hoger de klasse, hoe meer oppervlak, en hoe eerder je opvalt in het licht van een koplamp.
Fluorescerend materiaal is de felle stof zelf. Die zet ultraviolet licht om in zichtbaar licht en werkt daardoor overdag en in de schemering, wanneer er nog daglicht is om om te zetten.
Retroreflecterend materiaal zijn de banen die licht terugkaatsen naar de bron. Die doen hun werk juist in het donker, in de bundel van een koplamp. De norm stelt aan allebei een minimumoppervlak, want zonder het ene ben je overdag onzichtbaar en zonder het andere 's nachts.
Dit zijn de minimale zichtbare oppervlakten per kledingstuk. Haalt een kledingstuk die oppervlakte niet, dan valt het buiten de klasse, hoe fel de kleur ook is.
| Klasse | Fluorescerend materiaal | Reflecterend materiaal | Wat je er meestal in vindt |
|---|---|---|---|
| Klasse 3 | 0,80 m² | 0,20 m² | Jassen, sweaters, softshells en overalls met mouwen. Het hoogste niveau uit de norm. |
| Klasse 2 | 0,50 m² | 0,13 m² | Hesjes, bodywarmers, polo's en T-shirts met voldoende fluorescerend oppervlak. |
| Klasse 1 | 0,14 m² | 0,10 m² | Broeken en kleinere kledingstukken. Meestal bedoeld om samen met bovenkleding gedragen te worden. |
Voor klasse 3 eist de norm mouwen met reflecterende banen. Een mouwloos hesje komt daar per definitie niet aan, ook niet als het oppervlak groot genoeg zou zijn. Klasse 3 betekent in de praktijk een jas, een sweater, een softshell of een overall.
Een klasse 1 broek onder een klasse 2 jas is niet automatisch klasse 3. Een combinatie mag als geheel een hogere klasse voeren, maar dan moet die combinatie als set zijn beoordeeld en zo op het label staan.
Fluorescerende kleur verbleekt en reflecterende banen slijten. Daarom staat op het label na hoeveel wasbeurten het kledingstuk nog aan de norm voldoet. Was volgens dat label, en vervang een kledingstuk als de banen dof zijn geworden.
Een laag stof, beton of olie over het fluorescerende vlak haalt de zichtbaarheid omlaag zonder dat er iets kapot is. Op stoffige werkplekken is dat vaak de reden om eerder te vervangen dan het aantal wasbeurten suggereert.
De norm laat drie fluorescerende kleuren toe: geel, oranjerood en rood. Andere kleuren mogen wel op het kledingstuk zitten, maar tellen niet mee voor het oppervlak dat de klasse bepaalt. Dat is de reden dat een signalisatiebroek met zwarte pijpen een groot geel of oranje vlak houdt.
Dat volgt uit de risicoanalyse van de werkplek en uit wat je opdrachtgever voorschrijft. Wegbeheerders, netbeheerders en aannemers stellen hun eigen eis, en die staat meestal in het werkplan of het bestek. Twee vragen bepalen het antwoord meestal: hoe hard rijdt het verkeer langs je heen, en hoe druk is de achtergrond waartegen je gezien moet worden. Bij twijfel is de hogere klasse de veilige keuze, want klasse 3 voldoet altijd ook aan de eisen van klasse 2 en 1.
De klasse staat bij deze artikelen in de productnaam, dus je kunt er direct op zoeken.